8. Rassen

Om de gebruikswaarde van paarden goed te kunnen bepalen is kennis van rassen nodig. Daarnaast is het van belang om te kunnen beoordelen of het paard voldoet aan de standaard van het ras waartoe het behoort. Ook fokkers die een gebruikskruising overwegen, dienen zich terdege te informeren over de mogelijkheden en kwaliteiten van de rassen van hun keuze. Paarden zijn wereldwijd onder te verdelen in meer dan 200 rassen. Elk ras heeft zijn eigen specifieke kenmerken en karakter. Veel rassen hebben geen eigen verspreidingsgebied meer, maar komen voor over heel de wereld of door geheel Europa.

8.1 Variatie

Tussen rassen komen grote onderlinge verschillen voor. Dit geldt niet alleen voor type, kleuren en bewegingen maar ook voor het gewicht en de grootte. Het grootst bekende paard is een kruising van een Percheron x Shire. Het had een gewicht van 1350 kg en een schofthoogte van 216 cm. Het werd gebo­ren in 1959 en stierf in 1972 op de Recco de Roca ranch bij Buenos Aires. Het zwaarste paard dat bekend is woog 1440 kg  en had een schof­thoogte van 198 cm. Het was een hengst van het Belgische Trekpaardras die luisterde naar de naam Brooklyn Supreme. De kleinste paardjes zijn de Falabella's. Zij zijn afkomstig uit Argen­tinië. Zij zijn ontstaan uit kruising van zeer kleine Engels Volbloeds x Shetland pony's. Zij hebben een schofthoog­te variërend van 30-74 cm; het gewicht ligt tussen 18-36 kg.

Recent onderzoek  (Sutter et. al. 2007) naar de genen die de groei  van honden reguleren heeft aangetoond dat kleine honden  een afwijkend DNA-beeld vertonen in het gen voor een groeihormoon (IGF-1).  Deze afwijking is gelokaliseerd in het DNA dat het gen aanstuurt. Deze kleine honden maken wel het normale hormoon aan, maar in heel geringe mate. De hondjes zijn klein van stuk maar verder helemaal  normaal. De onderzoekers vergeleken grote en kleine rassen en stelden vast dat  honden < 9 kg het afwijkende DNA-beeld vertoonden. Door selectie op kleinere honden, omdat men dit een gewenste eigenschap vond, heeft de afwijking zich in de populatie verspreid en zijn op den duur kleine rassen ontstaan.  Wellicht doet een soortgelijke situatie zich ook voor bij paarden

Naar aangenomen wordt is het paard waarschijnlijk tussen 4500 en 2500 voor Chr. gedomesticeerd. Selectie,  aangepast aan de verschillende gebruiksdoel­stellingen, heeft er toe geleid dat er zulke grote verschillen tussen paardenrassen zijn ontstaan. De ten oosten van Babylonië  wonende Elamieten bedreven rond 2800 v. Chr. al selectieve fokkerij. De Griekse schrijver Xenophon heeft reeds in 400 v. Chr. een selectiestandaard voor  cavaleriepaarden beschreven. Sindsdien hebben fokkers onophoudelijk geselecteerd  en gekruist om rassen naar hun smaak en gebruiksdoelen aan te passen. Afhankelijk van de verschillende gebruiksdoelen zijn er gespe­ciali­seerde  rassen ontstaan ieder met hun specifieke kenmer­ken die zij bij onderlinge paring op hun nakomelingen over brengen.

8.2 Indeling

Rassen worden, naar hun temperament wel ingedeeld in: vol­bloeds, warm­bloeds en koudbloeds. Oorsprong van het volbloed? en warmbloedpaard is de Arabi­sche  paardenfokkerij terwijl de fokkerij van koudbloeden zijn oorsprong heeft in enkele Euro­pese kerngebieden. De volbloeds zijn het meest tempera­mentvol, terwijl de koudbloeden flegmatieker van aard zijn; de warm­bloeden bevinden zich qua temperament daar ergens tussenin. Ook in bouw verschillen de drie groepen. De volbloeds zijn lichter en fijner van bouw dan de warmbloeds en die zijn weer lichter en fijner dan de koudbloed.

Op basis van hun schofthoogte wordt wel een indeling gemaakt in paarden en pony’s. Dieren met een (op volwassen leeftijd gemeten) schofthoogte van 147 cm en kleiner worden pony's genoemd.  De internationale grens tussen paarden en pony’s ligt bij 1.47³m. Als de gemiddelde maat  van het ras hierboven ligt, spreekt men van een paardenras. Ligt de gemiddelde maat onder deze grens, dan spreken we van pony’s. In Duitsland beschouwt men de groep die qua schofthoog­te tussen paarden en pony's in zit als een aparte groep namelijk die van de Kleinpferde. Sinds 1988 wordt in Neder­land ten behoeve van de sport de categorie van E?pony's (eind-pony’s) onder­scheiden. Ze hebben een stokmaat van 148?157 cm.

8.3 Arabisch Volbloed

De fokkerij van het Arabische ras gaat vermoedelijk terug tot Babylonië en Egypte ten tijde van de Pharao's. Volgens de legende gingen alle zuiver gefokte Arabische paarden terug op de zeven merries van de profeet Moham­med. Tegenwoordig is de fokkerij verspreid in stoeterijen over de gehele wereld. In Duitsland, Polen en Hongarije  en in de USA en de USSR bevinden zich belangrijke fokgebieden.

De Arabier is betrokken bij de vorming van vrijwel alle warm­bloedrassen en vooral bij de vorming van het Engels Vol­bloed­ras. De belangrijkste Arabi­sche grondlegger van het Engelse Volbloed was  de hengst Darley Arabian die in 1704 naar Enge­land kwam. De hengst heeft daar meer dan 25 jaar ter dekking gestaan. Volgens Wegener (1988) stamt ruim 80% van de Engelse Derbywinnars in directe vaderlijn van deze hengst af. Via de hengst Messenger (een kleinzoon van Darley Arabian via Flying Childers) is de hengst ook de grondlegger van de Amerikaanse draver. Het totaal aantal Arabische Volbloeds op de gehele wereld wordt geschat op 220000. Op de hele wereld zijn er naar schat­ting slechts 2800 Egyptische Arabi­sche Volbloeds, waarvan er 1900 in de USA voorkomen. De vraag naar deze klassieke "straight Egyptians" is zeer groot. Dit betekent dat met name voor dit type enorme sommen geld worden betaald.

Karakteristiek is het hoofd met de tamelijk sterk ingedeukte neuslijn. Het paard heeft een fijne hals, een betrekkelijk brede borst, een tamelijk scherpe, hoge schoft en een korte gesloten romp. Het kruis is kort, rond en met een hoge staar­tinplant.  De hoeven zijn hard en rond. De benen zijn hard en droog. De beenplaatsing en de kwaliteit van de gewrichten is niet altijd correct. De beweging is krachtig en soe­pel, maar niet altijd ruim; het paard heeft een gemakkelijke galop. De schofthoogte ligt rond de 1m48-1m50. Het volwassen gewicht is 360-460 kg. Normale kleuren zijn: bruin, vos en schimmel. De kleuren muisvaal, bont en palomino worden niet waargenomen. De raskenmerken van de Arabisch Volbloed zijn niet in een "standaard" vastgelegd. Binnen het ras bestaan verschillende exterieurtypen die genoemd zijn naar belangrijke stamvaders zoals: Siglawi, Obeyan en Hamdani. Opmerkelijk is dat de meeste Arabieren 23 rugwervels hebben, bij andere rassen is dit 24.

8.4 Engels Volbloed

In 1815, bij de slag bij Waterlo, maakte het Europese vasteland voor het eerst kennis met de Engels Volbloed. De Britse cava­lerie was op vol­bloeds bereden. Hun paarden vielen op door snelheid en uithoudings­vermogen.  Vrij snel na de slag bij Waterlo kwamen de eerste transpor­ten met Engels Volbloeds in Duitsland aan. In 1822 werd in Doberan (Meckelenburg) de eerste renbaan geopend. In 1834 opende de eerste renbaan in Frankrijk, te Chantilly. In 1833 kwamen de eerste 6 volbloeds in de Saksische Hofstoe­terij te Graditz aan; hier startte een ononderbroken staats volbloedfokkerij. Vooral onder Graaf Lehndorf die van 1866-1906 de leiding had, kreeg Graditz grote bekendheid om de fokkerij van soldatenpaarden. Het devies van deze stoete­rij luidde: "Blut ist der Saft, der Wunder schaft".

De Engels Volbloedfokkerij is de enige fokkerij waar gedurende meer dan 250 jaar de prestatie (= de snelheid op de baan in  galop) het enige selectie­criterium was. De fokkerij is internationaal; het zwaartepunt van de fokkerij ligt in de landen van oorsprong: Engeland (Newmarket) en Ierland. In de USA worden veel meer Engelse Volbloeds gehouden dan in Engeland zelf. Aan het eind van de 17e eeuw heeft men de inlandse Engelse merries gekruist met oosterse Arabische hengsten. De drie belangrijkste grondleggers van het ras zijn de hengsten: Darley Arabian, Byerly Turk en Godolphin Arabian. Deze  heng­sten werden gepaard met inlandse merries, waaronder Galloways, merries  die reeds genera­ties lang in rennen hadden gelo­pen.  Het Engels Volbloed­ras is ontstaan door stelselmatige en voortdurende selectie op grond van snelheids­criteria. Vanaf 1793 is er een gere­gistreerde fokkerij en is er een stamboek bijge­houden. Door Willet (1994) wordt er op gewezen dat ook Napolitaanse paarden, Spaanse Jennets en Ierse Hobbies een rol hebben gespeeld bij de ontwikke­ling van het Engels Volbloedras.

De Engels Volbloed heeft een edel, droog, fijn hoofd met grote leven­dige ogen en wijde neusgaten. Hij heeft een mooi geplaat­ste hals, een lange, hoge schoft en een lange, schuine, goed gespierde schouder. De borst is smal en diep. De rug is kort en goed gespierd. Het kruis is lang, schuin en sterk gespierd. De benen zijn gespierd en droog met correcte goed gevormde gewrichten. Het paard heeft een lange stap en een vlakke draf. De galop is lang, ruim en verend. Het springvermogen is zeer goed.

De Engelse Volbloed wordt in Europa vaak gebruikt ter veredel­ing van warm­bloedrassen. In de beweging levert de Engels Vol­bloed vooral een verbeterde galop. Ook neemt het uithoudingsvermogen toe. Er is veel gebruik gemaakt van Engels Volbloedhengsten bij de omvorming van het Nederlands warmbloed­paard tot een rijpaard. Omstreeks 1970 werd in Nederland wel 20% van de warmbloedmerries door een Engels Volbloed hengst ge­dekt.  Rond 1990 lag dit in de orde van grootte van 7%. Sindsdien  is het aandeel van de volbloed nog lager geworden. Volgens gegevens van Gauger en Bouwman (1999) ligt dit percentage beneden de 1%. Berghuis (1992) berekende dat sinds de tweede wereldoorlog er in de Neder­landse rij­paardfokkerij ruim 50 verschillende Engels Volbloed­hengsten zijn ingezet. Slechts drie hengsten kunnen volgens hem als zeer succesvolle vaderpaarden worden aangewezen, name­lijk: Abgar, Courville en Lucky Boy.

De volbloed is van grote invloed op het exterieur van Neder­landse warmbloed rijpaarden. Van Veldhuizen (1992) verwerkte exterieurgegevens van rijpaar­den die bij stamboekopname verza­meld waren en berekende aan de hand van die gegevens de in­vloed van Engelse Volbloedvaders op het exterieur. Hij kwam, kort samengevat tot de volgende conclusie: Engels Volbloeds maken in zijn algemeenheid de hals korter en horizontaler, het kruis hellender en langer en het beenwerk harder en lichter.

8.5  Draver

De draverfokkerij fokt paarden die bestemd zijn om, uitslui­tend in draf, op snelheids­wedstrijden tijdens zogenaamde draverijen uit te komen. De ontwikkeling van deze fokkerij voert terug tot de tweede helft van de 18e eeuw in Rusland (Orlow?draver) en 50 jaar later in de USA en Frank­rijk.In de USA ontstond de "Standard Bred" uit een samenvoeging van een groot aantal rassen waaronder de Engelse Volbloed, Hackney en Ara­bier. Vergeleken bij de Engels Volbloed is dit ras qua exterieur kleiner en langer en heeft het lichter beenwerk. De Franse draver is in het algemeen wat groter en zwaarder dan de Amerikaanse draver,  heeft een wat meer geprononceerde schoft en is wat fijner van bouw. De Franse draver valt vooral op door zijn uithoudingsvermogen over langere afstanden (stayer), terwijl de Amerikaanse draver een paard is met veel snelheid als sprinter.

De Nederlandse draverfokkerij is voornamelijk gebaseerd op de fokkerij van Amerikaanse en  Franse dravers. De harddraverij is in Nederland sinds lang een populaire sport. In 1879 werd de Nederlandse Harddraverij en Renvereniging opgericht op initiatief van de Hollandse Maatschappij van Landbouw. Aanvankelijk waren de dravers zogenaamde dubbel­doelpaarden waarmee ook werk op de boerderij of in het transport werd verricht. Aanvankelijk importeerde men Russische draverhengsten om die te kruisen met Nederlandse, vaak Friese, merries. Men ging over op Amerikaanse en later ook Franse hengsten omdat het karakter van de kruisingsproducten van Russische dravers slecht was. Rond 1900 begon men een draverstamboek bij te houden.

In 1990 werden er binnen het stamboek (NDR) voor het eerst meer dan 1000 veulens geboren.  Sinds die jaren schommelt dit aantal jaarlijks tussen de 100 en 150. Het welzijn van de fokkerij staat of valt met  goede wedmogelijk­heden. Het open gaan van de Europese grenzen kan mogelijkheden bieden voor de sport en de fokkerij. Om te grote concur­rentie van buiten­landse paarden in de Nederlandse coursen te voorko­men, kan men het systeem van  dwangwinsommen toepassen. Hierbij krijgt ieder paard dat uit het buitenland wordt ingevoerd een bedrag bij zijn winsom opgeteld; dit bedrag is afhankelijk van de leeftijd van het paard. De paarden zullen hierdoor dus een zwaardere race moeten gaan lopen, waardoor de kans op winnen wordt ingeperkt.

8.6 Hackney

De Hackney is een ras dat verspreid over vele landen voorkomt. Het heeft zich in zijn bestaan ontwikkeld van rijpaard tot showpaard. Het ras komt voort uit de Norfolk Draver, die reeds rond 1100 beroemd was. Omstreeks 1300 wordt de naam Hackney al gebruikt. Men neemt aan dat deze is afgeleid van een Angelsaksich woord (Knegan) dat hinniken betekent. De Hackney was oorspronkelijk zwaarder gebouwd en befaamd om zijn uithou­dingsvermogen. Tijdens de Boerenoorlog in Zuid Afrika reden de Engelse soldaten op Hackney's. Jarenlang maakten de Engelse posterijen gebruik van dit ras voor hun mail coaches voor het vervoer van post en passagiers. Rond 1850 begon de omvorming van rijpaard naar koetspaard en showpaard. In deze tijd ontstonden in Engeland de eerste concoursen voor show-hackney's.

De belangrijkste stamvader is de hengst Shales. De grootvader van Shales was  Flying Childers en de overgrootvader Darley Arabian. Beide speelden een belangrijke rol bij het ontstaan van de Engelse volbloed. De Hackney kwam rond 1900, via Antwerpen naar het Europese vasteland. Het werd een statussymbool voor rijke mensen, die het gebruikten in aanspannin­gen. De Hackney behoort tot de warmbloedrassen.  Het komt zowel in een grote maat (>1m60) als in een kleine maat voor.

Kenmerkend voor de Hackney zijn de bewegingen. De stap is matig, de draf is de kenmerkende bewegingsvorm met een hoge knieactie en oprijzende voorhand tijdens de beweging. Niet altijd gaat dit samen met voldoende kracht vanuit de achter­hand. In Nederland is in de fokkerij van warmbloed tuigpaarden  de Hackney ge­bruikt  om  de beweging extra in te fokken en om inteelt te vermijden. (Brown's Liberty Light en Cambridge Cole).

8.7 Nederlandse warmbloedrassen

Friese paard

Dit is het enige oorspronkelijke Nederlandse warmbloed paardenras. Door de toe­name van de aangespannen recreatie neemt de grootte van de populatie toe en komt dit ras  ook buiten Frie­sland voor. Er is veel buitenlandse belangstelling;  Duitsland is een belangrijk nafok gebied. Het Friese paard is geëxporteerd over de hele wereld. Doordat de omvang van de populatie klein was  (en ook thans nog niet groot is te noemen uit oogpunt van fokkerij) waren er onge­wenste effecten van inteelt waar te nemen. Door middel van door het stamboek gegeven adviesparin­gen tracht men inteelt zoveel mogelijk te vermijden.

De kleur is zwart. Soms komen enkele witte haren voor het hoofd voor of andere kleine aftekeningen; deze zijn ongewenst. Zo nu en dan wordt melding gemaakt van de geboorte van niet zwarte ( voskleu­rige)  veulens. Dit geeft aan dat het ras niet geheel fokzuiver is voor de factor zwart. Tevens laat het zien dat ongewenste eigenschappen en/of eigenschappen die aanvanke­lijk een (zeer) lage frequentie in de populatie hebben, bij inteelt weer tevoorschijn kunnen  komen. Geschat wordt  (Douma 1991) dat er elk jaar enkele tientallen veulens gebo­ren worden met witte hoofdaftekening. Deze afwij­king, variërend van enkele witte haren tot een kolletje wordt bij merries getole­reerd. Dit geldt ook voor enige witte haren aan de achterbe­nen, dat in mindere mate voorkomt. Voor heng­sten zijn zulke aftekeningen zwaar wegende minpunten bij de exte­rieurbe­oorde­ling. Ook vroeger waren Friese paarden niet alle­maal zwart. In het begin van de stamboekhouding in 1879 was het overgrote deel der paarden wel zwart, maar in de jaren tussen 1879 en 1929 werd toch een betrekkelijk groot aantal niet zwarten ingeschreven.

Uit een inventariserend onderzoek van Geurts (1969) blijkt dat de kleurverde­ling in die periode als volgt was : zwart  80%, bruin 17%, schimmel  2% en vos 1%. In die periode werden er 5 bruine hengsten in het stamboek opgenomen; schimmel- en voshengsten werden nooit in het stam­boek geregistreerd. In 1917 werden de laatste niet zwarte merries in het stamboek opgenomen. Het betrof in alle gevallen bruine paarden. Na 1917 werden niet zwarten alleen nog maar in het hulpboek ingeschre­ven. In de beginjaren van de stamboekregistratie werden blessen en witte sokken  getolereerd bij stamboekopname. Er zijn in die periode zelfs enkel zwart­bonten opgenomen.

Ten aanzien van het exterieur kan het volgende opgemerkt worden: Het hoofd is rela­tief klein en benadert dikwijls het snoeks­hoofd. De hals is hoog aan­gezet ,wordt hoog opgericht gedragen en neigt soms iets naar de zwanen­hals.  Soms is de rug wat week. Het kruis is duidelijk hellend. De ribben zijn vaak wat kort. Karakteristiek is de zware beharing van de benen en de sterke ontwikkeling van het haar van de maantop en de staart. Soms is het beenwerk wat licht. In draf neemt het paard de benen hoog op (step­gang). Omdat er niet te veel naar voren wordt gegrepen, wordt in draf niet te veel snelheid gemaakt. De galop is matig. De zit is, ondanks de stepgang, buitengewoon plezierig.

Nederlands Warmbloedpaard

Warmbloedrassen houden in het algemeen het midden  tussen vol­bloeds en koudbloeds. Hierin zijn, afhankelijk van het gebruiksdoel,  verschillende gradaties moge­lijk. Een warmbloed rijpaard zal in exterieur en temperament dichter bij de volbloed staan terwijl een warmbloed werkpaard  dichter bij het koudbloed zal staan. Omstreeks 1960 kende Nederland een tweetal warm­bloedrassen/­typen.

Groninger paard: Het Groninger Warmbloed was een zeer zwaar warmbloedpaard dat voor en direct na de tweede wereldoorlog moest concurreren met in de landbouw gebruikte koudbloeds. Door import van 15 Hol­steiner merries werd het aanvankelijk langzaam omgevormd tot meer rijtypisch paard. Daarna werd het sneller tot rijpaard omge­vormd door toenemend gebruik van Engels Volbloed en Tra­kehner hengsten.

Gelderse paard: Het Gelderse Warmbloed was lichter dan de Groninger en werd voorname­lijk gefokt op de Gelderse zandgronden en in de Betu­we. In de veertiger en vijftiger jaren gebruikte men Hackney en Anglo-Normandische hengsten ter veredeling. Soms werden weer Groninger heng­sten gebruikt. Het werd geleidelijk omgevormd tot rij­paard door gebruikmak­ing van  Anglo?Normandische, Engels Volbloed, Hol­steiner, Trakehner, Westfaalse en Hannoveraner hengsten. Het Gelderse paard kende daarnaast een belangrijke tuigpaardrichting. Aanvankelijk was er sprake van een veelzijdigheidstype. Dit hield in dat het Gelderse paard geschikt was voor zowel werk in de landbouw, als onder het zadel of in het tuig.  Doordat paardentractie in de landbouw steeds minder werd gebruikt en door de opkomst van de ruitersport, waardoor de vraag naar rijtypischer paarden toenam, verdween het veelzijdigheidstype langzaam. Binnen deze groep werden nog vele jaren fokmerries geselecteerd omdat zij prima uitgangsmateriaal vormden voor het fokken van rijpaarden. Deze groep merries werden basispaarden genoemd. Ook was er een geringe belangstelling voor hengsten van dit type. De fokkerij van paarden die qua exterieur en afstamming nog aansluit bij het basispaard  is in handen van een kleine groep liefheb­bers; het gaat jaarlijks om een rela­tief gering aantal dekkingen.

Naarmate de belangstelling voor de ruitersport toenam, ontstond de vraag naar rijtypischer paarden. Daarnaast bleef er een vaste kern van liefhebbers van het tuigpaard, die een type paard fokten dat geschikt  was om aangespannen in shows te rijden.  Door selectie binnen het ras en door kruising met buitenlandse rijpaardhengsten is er een rijpaardtype en een tuigpaardtype ontstaan. Tenslotte is er nog een kleine groep enthousiaste fokkers die het Gelderse paard in stand houden. Het rijpaard­type dat met "buitenlands bloed" is omgevormd tot rijpaard, vormt de grootste en belangrijkste groep binnen de warmbloed­fokkerij.­ Daarnaast werd nog een deel van het oor­spronkelijke Gelderse paard speciaal gefokt om de hoge en vooruitgrijpende bewegingen in het tuig : het tuig­paardtype.

Fokrichting tuigpaard: Het tuigpaardtype komt alleen in Nederland voor. Het gaat om een vrij kleine  (deel)populatie waarin aanvankelijk de toon­aangevende hengst  Oregon een belang­rijke plaats in de stambo­men innam. Later is deze plaats overgenomen door Hoogheid, een Oregon?zoon die ook van moe­derszijde Oregon­bloed voert.  Soms werd (en wordt) voor bloedverversing een Hackneyhengst gebruikt.

Het tuigpaard heeft een stokmaat van 160-170 cm. Het is vrij grof gebouwd, wat vooral in de benen en het hoofd tot uiting komt. Het hoofd is groot en heeft soms een gebogen profiellijn (= ramshoofd).De hals wordt recht op gedragen. De ruglijn is strak, het kruis is meestal bijna recht. De stap is krachtig. De draf is hoog opnemend  (vertoont knieactie) en ver naar voren grij­pend. De onderbrenging van de achterhand is sterk.

Fokrichting rijpaard: De fokkerij van rijpaarden stelt zich ten doel het fokken van een fors gebouwd paard met een schofthoogte van 163?168 cm, dat voldoende massa heeft, een  goed karakter bezit en ruime krachtige rijpaardbewegingen. De galop is bij rijpaarden de belangrijkste bewegingsvorm. Helaas kan dit bij exterieurkeu­ringen aan de hand niet beoordeeld worden.

Het hoofd is edel. De hals voldoende lang en goed gespierd. De schoft is goed ontwikkeld. De schouder schuin en lang. Het kruis is gespierd, hellend en lang. Het beenwerk is droog met goed ontwikkelde gewrichten. Bij fokmerries zien we diepte en lange ribben. De minimale stokmaat voor goedgekeurde dekhengsten is 1m60 en voor stam­boekmerries 1m58. Voor paarden die voor een hoger predikaat in aanmerking  willen komen geldt voor ster­merries een stokmaat van 1m60. Voor hengsten en merries die een deel Arabisch bloed voeren gelden andere minimumeisen die variëren van 1m55 voor stam­boekmerries met Arabisch bloed tot 1m58 voor hengsten.

Fokrichting Gelderse paard: Dit is een kleine groep paarden die de voortzetting is van de oorspronkelijke fokkerij. Het is een middelzwaar paard met een tamelijk lange nek, een lange en schuine schouder, een ruime borstkas en een uitgesproken schoft. Het dier heeft forse, harde benen en ruime gangen. Het kruis is vaak recht. De kleur is veelal bruin. Het is geschikt voor veelzijdig gebruik, zowel aangespannen als onder het zadel. Binnen de ruitersport tekent zich de laatste jaren een specialisatie af in dressuur en springen. Dit komt niet alleen omdat de belangstelling voor die sporten is toegenomen, maar vooral ook omdat de sport zich kwalitatief enorm heeft ontwikkeld. Door gerichte fokkerij kwamen betere paarden beschikbaar en door een verbetering van de instructie- en onderwijsmogelijkheden verbeterde het niveau van de paardensport.

Of men binnen het rijpaardtype bij de selectie rekening zou moeten houden met een dressuur- en een springtype, staat ter discussie. Bij  het verrichtingsexamen van KWPN-hengsten wordt  onderscheid gemaakt tussen hengsten met aanleg voor dressuur of springen.

Het Koninklijk Nederlands Warmbloed paarden Stamboek  registreert jaarlijks 10.000 geboren veulens en is hiermee het grootste stamboek ter wereld. Het aantal dekkingen is jaarlijks ruim 15.000.

Lippizaner

De Lippizaner is een uit  Oostenrijk afkomstig rijpaard. Karakteristiek voor het paard is de schimmelkleur. Sinds 1977 voert het KWPN 2 registers voor de registratie van Lippiza­ners.  In het Hoofdboek worden alleen raszuivere Lippi­zaners ingeschre­ven  waarvan de afstam­ming in 5 generaties, zonder onderbreking, bekend is.  Het gaat hier dan om de zgn. "klassieke" hengsten­lijnen.  Hieronder worden enkele belangrijke stamvaders en hun herkomst vermeld. Dat deze hengsten toen  niet allemaal de schimmel­kleur bezaten blijkt eveneens uit dit overzicht.

Tabel 8.1 Enkele belangrijke stamvaders van Lippizaner hengstenlijnen 

Naam

Geb.jaar

Herkomst

Kleur

Pluto

1765

Frederiksborg (Denemarken)

Schimmel

Conversano

1767

Polesina (Italië)

Zwart

Neapolitano

1790

Polesina (Italië)

Bruin

Maestoso

1773

Kladrup

Schimmel

Favory

1779

Kladrup

Isabel

Siglry

1810

Arabier

Schimmel

Tulipan

1800

Terosovac  (vm Joego Slavie)

     ?

Incitato

1802

Mezohegyes (Hongarije

     ?

De schofthoogte is 150-160 cm. Het  nagestreefde lichaamsfor­maat is een recht­hoek. Het paard heeft goede aanleg als dres­suur en menpaard. Het karakter is goed. De paarden bezitten adel en uitstraling. De kleur is in het algemeen (veranderlijke) schimmel. Tussen het vierde en tiende levensjaar wordt het paard helemaal wit. Er wordt echter ook een klein aantal vossen, bruinen en zwar­ten geboren.

Het land van oorsprong is Oostenrijk waar aartshertog Karel II von Habsburg de stoeterij Lippiza stichtte. In 1572 werd de Spaanse Hofrijschool gesticht, die voor haar demonstraties van de klassieke rijkunst in Andalusië gefokte Spaanse paarden gebruikte. Deze paarden werden aan het Weense hof ook gebruikt voor parades en ander ceremonieel.Dit type paard werd destijds door meerdere vorstenhuizen gefokt omdat het een statig koetspaard was met grote aanleg voor hogeschooldressuur. Omdat de aanschaf van paarden uit Spanje, door oorlogsomstan­digheden steeds moeilijker werd, besloot het Weense hof in 1580 zelf een stoeterij in Lippiza (het huidige Lipica in het voormalige Joego Slavië) te stichten. Lipicia ligt in de Karst waar vanouds paarden werden gefokt die beroemd waren om hun temperament en uithoudingsvermogen.. Uit Spanje werden 9 fokhengsten en 24 fokmerries gekocht. Deze paarden werden door kruising met paarden uit de Karst, de grondleggers van het huidige Lippizaner ras. In een later stadium werden ook aan andere Euro­pese  hoven paarden aange­kocht ter verbetering van het bestaande paard. Het Itali­aanse Neapolitaanse ras, de Kladruber en de Deense Frederiks­borger  worden genoemd. In de loop der eeuwen zijn de paarden, gedurende oorlogen, meerdere malen geëvacueerd. Aangenomen wordt dat de oorlogs­handelingen van 1992 enorme schade aan de fokkerij hebben toegebracht; hetzelfde geldt voor andere stoeterijen elders in het voormalig Joego Slavië waar Lippizaners gefokt werden. In Oostenrijk werd in 1919 een stoeterij in Piber (bij Graz) gesticht, die de Spaanse rijschool in Wenen van materiaal voorziet. Als hogeschoolpaard (dressuur) in de Spaanse rijschool in Wenen is de Lippizaner over de hele wereld beroemd geworden.

Overige rassen

De belangstelling voor buitenlandse rassen  neemt in Nederland toe. Dit komt  omdat het in EU-verband gemakkelijker is geworden paarden te importeren. Vaak gaat het om rassen die over bijzondere kwaliteiten beschikken voor  recreatief gebruik of om rassen die door hun exterieur of bijzondere kleuren in de belangstelling  komen. Deze rassen zijn meestal vertegenwoordigd in een stamboek of vereniging

8.8 Buitenlandse warmbloedrassen

Het is van belang op de hoogte te zijn van buitenlandse stam­boeken omdat sinds 1 januari 1993 paardenstamboeken in de EU-lidstaten elkaar erkennen. Aange­zien bijna alle Europese Warmbloedstamboeken sport­paarden produceren op basis van type en gebruikseigenschappen en niet op basis van bloedvoering kunnen stamboekverenigingen de producten van zusterstamboeken niet weigeren op grond van afstamming De rijpaardfokkerij zal hierdoor  steeds meer een Europees karakter krijgen. In Nederland worden in de rijpaardfokkerij vaak buiten­landse hengsten gebruikt, maar ook in buiten­landse fokkerijen is vraag naar Nederlandse paarden.

Duitsland

 De Duitse warmbloedrassen zijn in de verschillende Duitse länder, waar men fokdoelen nastreefde die  op onderdelen ver­schilden, tot stand gekomen.  We noemen er enkele die van belang zijn voor de Nederlandse rijpaardfokkerij.

Trakehner: De oorsprong van de Trakehner ligt in Oost Duitsland en Polen waar onder leiding van de staatsstoeterij "Trakehnen" sinds 1732 leger­paar­den werden gefokt. Sinds 1786 vond syste­matische fokkerij plaats op basis van het Oostpruisische landslag met sterke invloed van eerst Arabisch Volbloed en later Engels Volbloed. Tot 1945 werden de paarden voor het Duitse leger voornamelijk uit het Oostpruisisch bestand gewor­ven; eind 1944 telde men ruim 44000 fokmerries. Na het uiteen­vallen van het  Derde Rijk begon men in de Duitse Bondsrepu­bliek opnieuw met slechts 700 fokmerries. Ook in de toenmalige Duitse Democratische republiek werd de Trakehner na de tweede wereld­oorlog in stand gehouden. Na de hereni­ging  van de beide Duitslan­den in 1990 was er weer sprake van één Tra­kehner  fokkerij. Ook in de Sovjet Unie en Polen worden  Trakehners gefok­t.

Het exterieur laat zich als volgt omschrijven: Goed aangezette, lange hals; fijn aansprekend hoofd;hoge schoft, soms een wat beknopte schouder; sterke rug met goede zadelligging; niet altijd lang, maar goed gespierd kruis; droge, correcte, vaak wat lichte benen; lange stap, vlakke draf (wat stekend), prima galop. In beweging is de stap lang, de draf vlak en soms wat stekend; de galop is prima.

Hannoveraan en Holsteiner: De Hannoveraan is een zwaar gebouwd rijpaard waarin consequent Engels Volbloed werd gebruikt. De fokkerij is gestoeld op de Holsteiners en Meckelen­burgers.  Het Landgestüt in Celle, opgericht in 1735, speelt een belangrijke rol in de fokkerij­geschiedenis. Ook dit paard heeft een omvormingsproces naar een veelzijdig bruikbaar rijpaardtype doorge­maakt.  In voor­jaar en herfst worden in Verden belangrijke veilingen gehou­den. De hengsten worden onderworpen aan een presta­tietoets die wordt afgesloten met een examen waarin de rijpaardkwaliteiten worden getest alsmede de hardheid, het karakter, temperament en gezondheid. Deze test vindt plaats in Adelheidsdorf.Het exterieur komt in sommige opzichten overeen met de Oost­pruis. Het hoofd is in het algemeen wat minder edel en het kruis langer en schui­ner.  De Hannoveraan is zwaarder, heeft meer massa en een zwaardere botstructuur. De Hannoveraan levert zowel goede dressuurpaarden als springpaarden.

Hetzelfde geldt voor de Holstei­ner.  Oorspronkelijk was  de Holsteiner een licht koetspaard dat ook als rijpaard werd gebruikt. Sinds de jaren dertig vond reeds een omvorming plaats tot sportpaard. De Holsteiner heeft een goede aanleg voor alle disciplines. Ook hier vond consequente veredeling plaats met Engels Volbloed. De Holsteiner heeft een belangr­ijk  nafokge­bied in Denemarken (Jutland). In het overzicht dat hieronder gegeven wordt, worden van de verschillende Duitse rijpaardrassen de belangrijkste kenmerken gegeven. Er worden ook namen van, voor die fokkerij belangrijke, vaderpaarden genoemd die we ook in de afstamming van in Nederland gebruikte hengsten tegenkomen.  Dat er tussen de Duitse fokgebieden uitwisseling is van fokmateriaal blijkt uit de tabel; namen van een aantal belangrijke fokhengsten komen voor in verschillende fokgebieden.

Tabel 8.2  Overzicht van Duitse rijpaardrassen

stamboek

kenmerken

bloedlijnen

Holstein

Springvermogen.

Lange stap, draf met kni­eac­tie, sterke rui­me ga­lop.

Gespierde lenden, die­pe bor­st, harde benen.

Werkwillig.

Temperament

Anblick

Manometer

Marlon

Ladykiller

Hannover

Karakter

Soepele elastische gan­gen

Solide gebouwd sport­pa­ard.

Massa.

Relatief klein, fijn hoofd

Duellant

GoldammerII/

Goldfi­schII

Feuerland/

Ferdinand

Weiler/

Waltzerkönig

Abglanz

Senator

Der Löwe

Oldenburg

Lange stap, krachtige draf, ste­rke stuwing van­uit de ach­ter­hand, knie­actie.

Goed gespierd.

Massieve gewrichten

Furioso II

Gotthard

Gepard,

G­old­pitz

Gol­dstein

 

Der Löwe

Herbststurm

Westfalen

Vergelijkbaar met Tra­kehner: iets lichter ge­bouwd, langere be­nen.

Sportpaard

Abendglocke

Bernstein

Mackensen

 

Bariton

Romadour

 

Fruhkung

Paradox

Ramzes

Trakehenen

Harde benen.

Uitgesproken draf

Mooi hoofd; grote ogen

Dichter bij Engels Volbloed dan andere Duitse rassen

Dampfross

Abglanz

Donauwind

 

Meckelenburg

Gelijkenis met Hanno­veraan

Hard. Uithoudingsver­mogen

Benen: droog; correct

Springvermogen

 

Frankrijk

Het  Franse Warmbloedpaard wordt "Selle Francais" genoemd. Hiertoe worden in principe alle paarden gerekend die zijn ingeschreven in het "Studbook du Cheval de Selle Francais".

De Norman­diër, die voornamelijk de basis voor dit ras vormt, stamt uit het oude Armoricaanse (=Bretagne) ras; het beleefde een grote bloei ten tijde van de Moorse overheersing en daarna in de tijd van de kruis­tochten. Onder Lodewijk XVI werd de rijpaardfokkerij herzien en gecon­centreerd op stoeterij­en in Normandië. In deze tijd werd ook voor het eerst ge­bruik  gemaakt van Engels Volbloed. Tijdens de Franse revolutie en onder Napoleon ging het Normandisch ras bijna verloren. Vanaf 1830 vond wederopbouw  plaats en een systematisch inkruisen van Engels Volbloed. Rond 1900 was de Normandiër een populair koetspaard in Europa. Ook hier werd, met het voortschrijden van de landbouwmechanisatie, het fokdoel verlegd naar het rijpaard. Zeer veel werd gekruist  met de Engels Vol­bloed;  vandaar de naam Anglo-Normand.

De warmbloedpaardenfokkerij van Frankrijk is ook voor ons land van belang geweest. Direct na de tweede wereldoorlog vond de import plaats van onder andere de, in 1944 geboren, hengst L'Invasion; deze ­hengst heeft grote invloed gehad op de warmbloedfok­kerij in ons land. Ook later werden nog regel­matig Franse Warmbloed­hengsten geïmporteerd. Het paard heeft goede gebruiksmogelijkheden vooral als spring­paard; het heeft een prima karakter. Enkele opvallende algeme­ne exterieurkenmerken zijn: lange, bespier­de hals, soms wat hoog aangezet;  lange brede schoft; lange, schuine schouder, goede bespierde achterhand; maat en massa.

België

De fokkerij van warmbloedpaarden heeft in België een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt als in Nederland. In België opereren echter twee warmbloedstamboeken met hetzelfde fokdoel.

Belgisch Sportpaard: De oudste stamboekvereniging is de Koninklijke Maat­schappij het Belgisch Sportpaard Dit stamboek is ontstaan uit de in 1920 opgerichte “Koninklijke Maatschappij tot aanmoediging van het Legerpaard”. Deze vereniging had tot doel een legerpaard voor de Belgische cavalerie te fokken. De leden behoor­den voornamelijk tot de Franstalige elite. Nadat het leger meer gemotoriseerd werd, wijzigde de fokvereniging de statuten en ging verder onder de naam  “Maatschappij van het Belgisch Halfbloed Paard” (BHP). In het begin van de zestiger jaren kende het stamboek, evenals dit in Nederland het geval was, een opbloei en verlegde de fokrichting zich naar het sportpaard. Er werden buitenlandse hengsten ingevoerd, vooral uit Normandië. In latere jaren werden ook hengsten van andere buitenlandse rassen gebruikt. In 1992 werd de  “Koninklijke Maatschappij het Belgisch Sportpaard” opgericht. Het fokdoel ligt in de naam besloten. Het stamboek telt ruim 70 dekhengsten. Jaarlijks worden ongeveer 1500 merries gedekt en worden er 1000 veulens ingeschreven. Het stamboek toetst de verrich­tingen van de nieuwe dekhengsten in wed­strijdseries voor vier- en vijfjari­ge paarden. Het stamboek is voornamelijk op Wallonië gericht.

Belgisch warmbloedpaard; De landelijke ruitersport maakte in de beginjaren vanaf ongeveer 1937 gebruik van voornamelijk trekpaarden die op de boerderij aanwezig waren. Er ontstond behoefte aan een lichter rijpaard dat daarnaast ook nog gebruikt kon worden als wekpaard op de boerderij. Om aan deze behoefte te voldoen werden uit Nederland Gelderse paarden en uit Frankrijk Normandische rijpaarden ingevoerd. Na 1950 werden ook Duitse rijpaarden ingevoerd; vooral de Hannoveraan was populair. De fokkerij werd georganiseerd binnen het verband van de “Nationale Fokvereniging van het Landbouwrijpaard”. Ook  hier verlegde het fokdoel zich in de richting van een rijpaard. Dit leidde in 1970 tot verandering van de naam in   “Nationale Vereniging van het Warmbloedpaard”; sindsdien spreekt men van het Belgisch Warmbloedpaard (BWP). Het stamboek telt 6500 leden. Jaarlijks worden er 2500 veulens geregistreerd. Het exterieur van de Belgische Warmbloed komt overeen met dat van warmbloedpaarden in Nederland en Duitsland. De stamboekvereniging BWP registreert naast het Belgisch Warmbloedpaard ook het Belgisch tuigpaard, de Belgische rijpony, de Belgische Connemarapony en de Belgische Dartmoorpony

Engeland

Al sedert het ontstaan van de Engels Volbloed vonden kruisin­gen plaats tussen Engels Volbloed en landrassen; bijvoorbeeld koudbloedrassen. Het resultaaat van deze kruising geeft de zogenaamde Hunter.  Het zal duidelijk zijn dat het aantal van deze zware merries  in de laatste jaren onvoldoende is om deze kruising in stand te houden. Vandaar dat men onderscheid maakt in de volgende categorieën. De Haevy Weight Hunter; een kruising van volbloedhengst x koudbloedmerrie. De Middle Weight Hunter: een kruising met een halfbloedmerrie en de Light Weight Hhunter; een kruising met een driekwart volbloedmerrie In feite is er dus geen sprake van een ras, maar van een gebruikskruising. Het fokdoel is een krachtig groot rijpaard met goede springkwaliteiten, een goede constitutie en uithoudingsvemogen. De koudbloedmerries die in deze kruising gebruikt werden zijn in Engeland :de Cleveland Bay en de Suffolk en in Ierland de Irish Draught.

Qua exterieur gaat het om een groot, lang gelijnd en gespierd paard met een goede schouder en schoftvorm; met meestal een hellend kruis van zeer verschillende maat. Het paard heeft een ruime stap, een ruime galop en een uitstekend springvermogen.

USA

In Nederland bestaat een toenemende belangstelling voor enkele rassen uit de  Verenigde Staten. Het gaat hier vooral om rassen die  gebruikt worden bij Western riding.

Quarter Horse: De oorsprong van het Quarter horse gaat terug tot de eerste helft van de 17e eeuw. Aan de Oostkust van Amerika weren lichte kleine paardjes van Indianen gekruist met paarden van Engelse kolonisten. Met deze kruisingen werden sprintwedstrijden gehouden. Wedstrijden op de kwart mijl worden nog steeds gereden, met name in de USA, Canada en Mexico. Hierbij zijn topsnelheden van ruim 85 km per uur gemeten; de kwart mijl kan binnen de 22 seconden worden afgelegd. Ook op ranches werd veel gebruik gemaakt van Quarter Horses. In de ontwikkeling van het ras heeft de Engelse volbloed een belangrijke rol gespeeld.Het Quarter Horse stamboek is het grootste paardenstamboek ter wereld met meer dan  drie miljoen geregistreerde dieren  over de hele wereld. Alle Quarter Horses worden bij dit moederstamboek geregistreerd. Het stamboek kent in de verschillende landen onderafdelingen.

 Het gebruik van het paard is zeer veelzijdig; race en westernwedstrij­den, dressuur, springsport en aangespannen rijden. Door het brede recreatieve gebruik kent men verschillende fokrichtingen, zoals de fokkerij van hunters en springpaarden waarvoor de wat grotere paarden worden gebruikt en  waar met name gelet wordt op springeigenschappen. In de  fokkerij van western riding en western pleasure paarden wordt gebruik gemaakt van paarden met gelijkmatige gangen, die gemak­kelijk in balans lopen en bij  de fokkerij van reining en cuttingpaarden gaat het vooral om paarden die goed wendbaar zijn en gemakkelijk kunnen accelereren en vertragen.

De schofthoogte ligt tussen de 1m50 en de 1m55. Vaak zijn de paarden iets overbouwd; dit wordt niet als fout gezien. Het hoofd is edel, vrij kort, wigvormig en heeft brede kaken. De ogen zijn groot. De oren zijn vrij klein en beweeglijk. De hals is voldoende lang, vrij laag aangezet en buigzaam. Voorhand  en bovenbenen zijn zwaar be­spierd. De schouder is lang en schuin. De schoft is vrij laag en loopt ver door. De rug is niet te lang. De botten zijn licht en de benen, met name het pijpbeen, kort. De hoeven zijn relatief klein. De  beweging is elastisch en vrij vlak met veel stuwing vanuit de achterhand. De kleur is altijd effen. Paarden die niet aan deze kleureis voldoen kunnen worden ingeschreven in het Paint Horse Stamboek.

Tennessee Walking Horse: Dit ras stamt af van een aantal oude Amerikaanse rassen waaronder het Morgan Horse. Het Tennessee Walking Horse is bekend om zijn bijzondere gangen. Het paard wordt met name in Noord Amerika gefokt en gebruikt zowel in western riding  als rijpaard. Een klein deel wordt speciaal gefokt en verder getraind als showpaard.  Naar schatting is zo'n 80% in gebruik als recreatiepaard.

In Nederland is voor dit paard een beperkte belang­stelling. Hierbij staat het gebruik als recreatiepaard voorop vanwege het gemakkelijke karakter en de comfortabele zit. Er worden een viertal gangen, waarbij de draf ontbreekt, onderscheiden. De rocking chair canter is een rustige ronde galop. De dog walk: de langzaamste gang ofwel de gewone stap. De flatwoot walk is sneller dan de dog walk. Net als bij de stap wordt elke voet apart opgenomen en zonder zweefmoment weer neergezet. Het ritme is anders en de beenzetting is niet lateraal en niet diagonaal. Het hoofd van het paard knikt tijdens het stappen ritmisch mee. De running walk is vergelijkbaar met de flatwoot walk, alleen maakt het paard meer snelheid. De achterbenen worden ver onder het lichaam, voorbij de afdruk van de voorbenen, geplaatst. Door de stuwing vanuit de achterhand rijst het paard in de voorhand en worden de bewegingen meer verheven.

WBFSH ranking

In de  World Breeding Federation for Sport Horses (WBFSH) zijn alle stamboeken vertegenwoordigd waarbinnen sportpaarden gefokt worden. Deze organisatie vormt de verbinding tussen sport en fokkerij. Jaarlijks publiceert de WBFSH, in samenwerking met internationale paardensportorganisatie (FEI), de ranglijsten (rankings) van de best presterende sportpaarden en stamboeken in de wereld.Deze rankings geven een goed inzicht in de  kwaliteit van de paarden die in de verschillende landen gefokt worden.  De rankings zijn een algemeen geaccepteerd hulpmiddel in de fokkerij van sportpaarden, mede omdat de WBFSH ook van alle paarden fokkerijgegevens bijhoudt en publiceert. De FEI levert de wedstrijdresultaten van alle belangrijke internationale wedstrijden en de WBFSH legt de koppeling met fokkerijgegevens..

De rankings zijn gebaseerd op de prestaties van de paarden en niet op de ruiters. De startdatum is 1 oktober van ieder jaar. De paarden krijgen punten die zijn gerelateerd aan hun plaatsing in de competities. De meeste punten kunnen worden behaald op belangrijke kampioenschappen, Wereld Cup kwalificaties en finales en andere top-wedstrijden. Voor iedere discipline is een apart puntensysteem ontwikkeld. Bij het springen zijn de punten, die in individuele wedstrijden worden behaald gerelateerd aan  de plaatsing in de competitie. Bij wedstrijden met het hoogste bedrag aan prijzengeld, zoals de Europese kampioenschappen en de Wereld Cup finale, worden de meeste punten toegekend. Op de Olympische Spelen en de Wereld Ruiter Spelen wordt het puntentotaal zelfs verdubbeld. Bij team wedstrijden, zoals de landen wedstrijden, wordt de puntentoekenning gerelateerd aan de strafpunten in iedere ronde. Bij belangrijke kampioenschappen krijgen de combinaties, die als beste drie geplaatst zijn, bonuspunten.

De dressuur-ranking  is gebaseerd op  de percentages die in iedere afzonderlijke klasse in de internationale wedstrijden  zijn gescoord.  Het aantal punten is alleen gebaseerd  op het percentage, niet op het belang van de wedstrijd of de plaatsing. De uitslagen, verkregen in maximaal 8 wedstrijden, tellen mee.

Bij de eventing-ranking  tellen de beste zes plaatsingen van het seizoen mee voor de plaatsing in de ranking. De puntentoekenning wordt  gerelateerd aan de  zwaarte van  de individuele wedstrijd. Op de belangrijkste  grote wedstrijden zoals  Badminton, Kentucky, en Burgley kunnen de meeste punten worden verdiend.

aarlijks worden de resultaten gepubliceerd voor dressuur, springen en eventing, De lijsten worden per paard gepubliceerd en per stamboek. Uit de tabellen, waar de resultaten van de rankings worden weergegeven voor stamboeken, kan een vergelijking tussen stamboeken gemaakt worden. Het KWPN en  Duitse stamboeken zijn internationaal  belangrijke leveranciers van sportpaarden.

Tabel 8. 3  WBFSH ranking 2005-2006 (WBFSH, 2007)

plaats

springen

dressuur

eventing

stamboek

punten

stamboek

punten

stamboek

punten

1

KWPN

7019.50

HANN

11855

ISH

1486

2

WESTF

6775.00

KWPN

9689

HANN

1185

3

HOLST

5455.00

OLDBG

9411

SHBGB

859

4

SF

4821.00

SWB

9234

HOLST

817

5

BWP

4661.50

DWB

9153

AA

813

6

HANN

4524.83

WESTF

8878

SF

790

7

OLDBG

3847.00

TRAK

7596

TRAK

639

8

ZANG

3001.00

HOLST

5851

SWB

632

9

DWB

2895.00

PRE

5849

KWPN

475

10

ISH

2790.00

RHEIN

4487

DWB

383

AA: Stud-book Francais du Cheval Anglo-Arabe
BWP:Belgisch Warmbloedpaard v.z.w.
DWB: Danish Warmblood Society
HANN: Verband Hannoverscher Pferdezüchter e.V.
HOLST: Verband der Züchter des Holsteiner Pferdes e.V.
ISH: Irish Sport Horse
KWPN: Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland
OLDBG: Verband der Züchter des Oldenburger Pferdes e.V.
PRE: Puro RAZA Espanol
RHEIN: Rheinisches Pferdestammbuch e.V.
 SF: Stud-book Français du Cheval Selle Français
SHBGB: Sport Horse Breeding of Great Britain
SWB: Swedish Warmblood Association
TRAK:Verband der Züchter und Feunde des Ostpreussischen Warmblutpferdes Trakehner Abstammung e.V.
WESTF: Westfälisches Pferdestammbuch e.V.
ZANG:  Studbook Zangersheide

Tabel 8.4  WBFSH-ranking van stamboeken 2003-2006  (WBFSH, 2007)

plaats

2006

2005

2004

2003

spr

dress

event

spr

dress

event

spr

dress

event

spr

dress

event

1

KWPN

HANN

ISH

KWPN

HANN

ISH

KWPN

HANN

ISH

HANN

HANN

ISH

2

WESTF

KWPN

HANN

HOLST

KWPN

HANN

SF

KWPN

SF

SF

OLDBG

SF

3

HOLST

OLDBG

SHBGB

HANN

OLDBG

SWB

HANN

WESTF

TRAK

HOLST

KWPN

HANN

4

SF

SWB

HOLST

OLDBG

WESTF

SF

HOLST

OLDBG

BRAS-H

KWPN

DWB

SWB

5

BWP

DWB

AA

SF

DWB

HOLST

OLDBG

DWB

HANN

BWP

WESTF

HOLST

AA: Stud-book Francais du Cheval Anglo-Arabe
Bras-H: Associacao Brasileira de Criadores do Cavalo de Hipismo
BWP: Belgisch Warmbloedpaard v.z.w.
DWB: Danish Warmblood Society
HANN: Verband Hannoverscher Pferdezüchter e.V.
HOLS: Verband der Züchter des Holsteiner Pferdes e.V.
ISH: Irish Sport Horse
KWPN: Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland
OLDBG: Verband der Züchter des Oldenburger Pferdes e.V.
SF: Stud-book Français du Cheval Selle Français
SHBGB: Sport Horse Breeding of Great Britain
SWB: Swedish Warmblood Association
TRAK: Verband der Züchter und Feunde des Ostpreussischen Warmblutpferdes Trakehner Abstammung e.V.
WESTF: Westfälisches Pferdestammbuch e.V.

Los van de paarden- en stamboekrankings  wordt er ook een overall stamboekranking gepubliceerd. Deze ranglijst van stamboeken wordt samengesteld op basis van het totaal aantal punten in alle drie de disciplines samen.  Sinds 2000 staat het Hannoveraner paardenstamboek ieder jaar op de eerste plaats voor het onderdeel dressuur en het Iers sportpaardenstamboek  ieder jaar voor eventing. Het KWPN stat sinds 2000 vier keer op de eerste plaats genoteerd; het Hannoveraner paardenstamboek twee maal en het Holsteiner stamboek een maal.

8.9 Koudbloedrassen

Met de naam "koudbloed" worden die paarden aangeduid die door hun exterieur, hun  massa  en rustige karakter, in de eerste plaats geschikt zijn voor trekdienst. In Europa zijn 4 oorspronkelijke fokge­bieden namelijk België Frankrijk, Engeland en Centraal Europa (Zuid Duitsland en Oostenrijk).

Nederland

Het oude Nederlandse Trekpaard is omgevormd door kruising met het Belgisch Trekpaard tot een vrijwel identiek ras. Vandaar dat ook wel de naam Belg wordt ge­bruikt.  Die naam doet tekort aan de inspanningen van de fokkers van het Nederlands Trekpaard. Door een eigen fokbeleid hebben zij kans gezien een eigen stempel te drukken op deze fokkerij.. Hoewel er een goede belangstelling is voor het Nederlands Trekpaard is de populatie, uit foktechnisch oogpunt gezien, klein. Mede daarom is er een goede samenwerking met het Belgisch stamboek, onder andere op het gebied van keuringen.

Het hoofd is naar verhouding klein en mooi gevormd. De hals is kort en zwaar bespierd. De bespiering van de schoft is zwaar. Rug en lendenen zijn kort en zwaar gespierd.  Het kruis is hellend en zwaar gespierd, soms gespleten. De bewegingen zijn vlot met een gemakkelijke draf. Het beenwerk heeft veel be­hang, de hoefvorm is nog al eens plat. De  manen zijn zwaar en worden zeer vaak naar twee zijden gedragen. De staart werd gecoupeerd.  Couperen is sinds enige jaren niet meer toegeestaan. In de overgangsfase ziet men op keuringen zowel gecoupeerde als ongecoupeerde paarden.

België en Frankrijk

In België heeft men twee trekpaardrassen: Het Belgisch trek­paard dat identiek is aan het Nederlandse en de Ardenner. In dit ras is in het verleden (reeds vanaf de tijd van de kruis­tochten) gekruist met Arabie­ren; het is kleiner dan het Belgisch trekpaard. Het wordt tegen­woordig vooral gebruikt voor de slachtveulenproductie. De Ardenner komt ook in Frankrijk voor; daarnaast kent men in Frankrijk de Comtois, de Breton en de Percheron. Het Cheval de Mérens is een zwart Pyrenees bergpaard, dat sinds enkele jaren ook in Nederland belangstelling geniet als recreatiepaard. Het is een volledig zwart paard. Er wordt aangenomen dat er een verwantschap is met het Friese paard. Ook in het exterieur vertonen beide rassen overeenkomsten. In de Ariège, centraal in de Franse Pyreneeën, zijn in de grotten van Niaux oude afbeeldingen aangetroffen van paarden, waarvan het exterieur sterk lijkt op het huidige Cheval de Mérens.

Het exterieur is als volgt te omschrijven:  Zwart van kleur met een rijke beharing aan manen, staart en sokken. Het hoofd is edel, de benen zijn vrij kort en droog. Het kruis is gespleten. De stokmaat is 1m35-1m55. Het zijn sobere en terreinvaste paarden, die zeer geschikt zijn voor de recreatie, mede door hun mak­heid en betrouwbaar­heid. De Mérens in Nederland is georganiseerd in een  klein stamboek dat, om inteelt te vermijden, hengsten uit het oorspronkelijke fokgebied in Frank­rijk importeert.

Engeland

In Engeland is de Shire van  betekenis. Binnen dit ras komen wel paarden voor met een schofthoogte van 1m80.  Het ras wordt tegenwoordig vooral gebruikt als showpaard. De Shire Horse Socitey werd in 1878 opgericht. Men sprak wel van: "het grote paard van Engeland". Al in de middeleeuwen was het paard populair als zwaarste ridder- en toernooi­paard. Daarnaast moeten nog worden genoemd de Suffolk, de Clydesdale en de Percheron.. In Amerika en Canada treffen we vele Europese koudbloedrassen aan. Deze paarden worden vooral gebruikt voor show- en reclame­doeleinden.

8.10 Ponyrassen

Een aantal voor Nederland belangrijke ponyrassen is afkomstig uit Engeland. De ontwikkelingsgeschiedenis van deze ponyrassen komt in grote lijnen overeen. Ze stammen af van paarden die ruim 5000 jaar geleden voor het eerst op de Britse eilanden voorkwamen. Een deel van de als werkdier gebruikte paarden verwilderde en verspreidde zich over het land. De per gebied wisselende natuurlijke omstandighe­den beïnvloedden het exterieur. Door de schrale  leefomstandigheden konden alleen de harde en sobere dieren zich handhaven en bleven zij vrij klein.

Shetlander

De Shetlandeilandenden, Engeland en Schot­land zijn het oorsprongsgebied. Als lokaal ras wordt het al in de Vikingtijd ge­noemd.  Het werd in Engeland in de mijnen gebruikt om lorry's door de mijngangen te trekken.

Het exterieur is een klein type trekpaard met hardere en drogere benen en minder behang. De draf is naar verhouding iets kort, maar door de snelheid van de beenbe­wegingen vrij snel. De maximale toegestane schofthoogte is 107 cm. Veel Shetlan­ders hebben een schofthoogte klei­ner dan 100 cm. Hier­door is het meer een kinderspeelpony dan een kin­derrijpony.

New Forest

De New Forest pony vindt zijn oorspronkelijk leefgebied in het Engelse New Forest. Door de schrale omstandigheden waaronder deze pony's van oorsprong werden gehouden ontwikkelden zij hardheid en soberheid; eigenschappen die ook nu nog een belangrijk kenmerk van dit ras vormen. Onder invloed van natuurlijke omstandigheden bleef de New Forester vrij klein (1m30). Halverwege de vorige eeuw ontstond er vraag naar een grotere maat pony. Men probeerde dit te realiseren door het inbrengen van Arabisch en Engels Volbloed. Hiermee dreigden echter de specifieke raskenmerken van de New Forester verloren te gaan. Door kruising met enkele andere rassen als Dartmoor, Exmoor en Fell-pony probeerde men  de gewenste pony-eigenschappen weer terug te krijgen.

In de Engelse stamboekfokkerij die startte in 1899, worden sinds 1935 geen vreemde rassen meer toegelaten. De eerste belangrij­ke imports van New Forest pony’s in Nederland, vonden plaats in 1956 en een jaar later werd het stamboek opgericht.In Engeland wordt wel een onderscheid gemaakt tussen forest pony's die als wilde pony's los in het natuurreser­vaat lopen  en  worden beschouwd als het basismateriaal  en  studpony's die  door particuliere fokkers worden gehouden en naast de fokkerij worden  ingezet als gebruikspony. Omdat de Forester een brede bloedbasis heeft, zijn er in het type bepaalde nuance­vershillen te onderscheiden.

elangrijke raskenmerken zijn: massa en diepte, het harde beenwerk met goed gevormde gewrichten en niet te lange pijpen, goed ontwikkelde hoeven en verzenen. De pony staat over veel bodem en benadert daarmee het rechthoeksmo­del. Een belangrijke raseigenschap van de New Forest pony is het uitstekende karakter wat de pony geschikt maakt zowel voor de recreatie als de wedstrijdsport. De pony heeft ruime gebruiksmoge­lijkheden.

Het ras is verdeeld in een kleine en grote maat.  De maximum schofthoogte is 1.473 m. Grotere pony's worden gefokt als wedstrijdpony (E-pony). Hiermee staat de gewenste maximale stokmaat ter discussie. Alle kleuren komen voor. Bonte pony's worden als niet rasty­pisch beschouwd en niet in het stamboek ingeschre­ven.

Welsh

De Welsh pony is van oorsprong afkomstig uit Wales. In het begin van onze jaartelling is dit ras al door de Romei­nen beschre­ven. Men neemt aan dat Spaanse en Arabische paarden van de Romeinen in die periode hebben bijgedragen aan de fokkerij. Door de geïsoleerde ligging van de streek waar de Welsh pony’s voorkwamen, zijn er nadien niet veel vreemde invloeden meer op de fokkerij geweest. Om aan de vraag naar zwaardere pony's voor arbeid in de mijnen te voldoen werd in de vorige eeuw wel gekruist met koudbloeds. Daarnaast werd ook wel veredeling toegepast met voornamelijk Arabisch volbloed en soms met Engels volbloed of Hackneys. Om aan de vraag naar rijpony's, die in de vijftiger jaren in Nederland ontstond, te voldoen werd onder andere de Welsh geïmporteerd en in 1959 werd het Nederlands Welsh Pony Stamboek opgericht. Het stamboek kent verschillende secties. De secties vertegenwoordigen ieder een bepaalde fokrichting en worden aangeduid met een letter.

Sectie A  heeft een schofthoogte tot 1.22 m en wordt ook wel de Welsh Mountain Pony genoemd. De sectie A is een gesloten stamboek waarin geen vreemd bloed wordt geaccepteerd.

De sectie B pony wordt beschouwd als een vergrote uitgave van de Welsh Mountain Pony met een stokmaat tot 1m37. De nadruk valt meer op de rijtypische eigenschap­pen. Ook de sectie B is een gesloten stamboek.

Sectie C is de Welsh Pony van het Cob-type. Ook hier gaat de stokmaat tot 1m37. Het is  een pony die robuuster is dan  de andere Welsh pony en  zowel geschikt is voor onder het zadel als in het tuig.

Sectie D is de typische Welsh Cob. Hier ligt de schofthoogte meestal tussen de 1m42 en de 1m58. De minimummaat voor inschrijving is minstens 1m37. Deze Cob heeft meer maat en massa en is te beschouwen als een veelzijdige recratie­pony voor zowel onder het zadel als in het tuig. Hierom is het fokdoel gericht op en stokmaat van 1m46 – 1m48.

In de Sectie K moet het minimum aandeel Welshbloed 25% bedragen. Voor de overige 75% is alleen  Engels of Arabisch volbloed of Anglo Arabier toege­staan. De stokmaat gaat tot 1m57  (1m56.9 ).

In de Sectie HBW gaat de stokmaat ook tot 1m57. Het verschil met de sectie K is dat hier ook ander vreemd bloed is toegestaan mits één der ouders is ingeschre­ven in  één van de boeken van het Welsh Stamboek.

Door het Stamboek wordt de volgende, algemene, rasbeschrijving gegeven: "Het hoofd is klein en edel met een breed voorhoofd en grote, moedige ogen. De beweeglijke oren zijn kort en fijn besneden. Het neusbeen is kort, de mond klein en fijn maar met voldoende ruimte voor een goed ontwikkeld gebit. De fier gedragen hals is goed aangezet op de schouders. Rug en lenden zijn kort en sterk. De staart is hoog ingeplant en wordt goed gedragen. De benen zijn hard en droog, evenals de ronde voeten, met veel bot. De bewegingen zijn sterk met veel schoudervrijheid en goede buiging in de gewrichten. Alle kleuren worden geaccepteerd, behalve platenbont. Maanogen zijn niet ongewoon.

 IJslander

De IJslander wordt al meer dan 1000 jaar raszuiver gefokt. De fokkerij van IJslanders was een gesloten fokkerij, zonder inmenging van vreemd bloed van buiten het eiland. Belangrijke voorouders van het IJslandse paard zijn afkomstig uit Noorwegen,  van de Schotse eilenden en de Keltische pony. De schofthoogte varieert van 1m30-1m45. Het lichaam is kort en gedrongen en de hals kort en dik. Het paard heeft sterke hoeven en benen met veel behang. Het hoofd is vaak relatief groot. De IJslander is altijd gebruikt als rij- en pakpaard. Nu is het een recreatiepaard, waarbij vooral de gangenwedstrijden en afstandsritten populair zijn.  Het bijzondere van de IJslander zijn de gangen. Naast de drie basisgangen stap, draf en galop zijn er als vierde en vijfde gang nog de tölt en de telgang. Deze twee gangen zijn van nature al bij het jonge veulen aanwezig. 

In de tölt is de voetvolgorde gelijk aan die van de stap, maar worden de benen op een andere manier opgetild en neergezet waardoor het paard in deze gang geen zweefmoment heeft. Hierdoor heeft het paard een bijzondere zit omdat er geen opwaartse beweging is.Bij de telgang wordt, niet zoals in de draf, het diagonale benenpaar gelijktijdig opgetild, maar het laterale. De echte ren-telgang, waarbij zeer hoge snelheden gehaald kunnen worden, wordt als een belangrijke eigenschap beschouwd. Men onderscheidt viergangers; paarden die naast de basigangen kunnen tölten en vijfgangers die naast de basisgangen kunnen tölten en in telgang gaan.

Fell pony

Dit Engelse ponyras is voor Nederland betrekkelijk nieuw. In 1993 kwamen de eerste (5) pony’s naar Nederland. De Fell is afkomstig uit Engeland, uit de heuvels van Cumbria en Westmoreland. Door het in Engeland gevestigde moederstamboek, de Fell Pony Society, wordt het ras als volgt beschreven: De ideale maat is 1m37; de maximale hoogte is 1m42. De oren zijn klein. De neusgaten groot.  Het beenwerk is solide; de hoeven hol en hard. Het lichaam is lang met veel behang  (sokken, staart en manen). Er komen 4 kleuren voor: zwart, donkerbruin, vos en grijs. De voskleur is uiterst zeldzaam. De gewenste kleur is zwart; deze komt het meest voor. Bij de hengstenkeuze wordt hier rekening mee gehouden, door hengsten te kiezen uit stammen waar bijna uitsluitend de zwarte kleur voorkomt (onder andere de Vaverheadstam).De Fellpony is, door zijn vriendelijke karakter, zijn soberheid en uithoudingsvermogen  een uitermate geschikte recreatiepony.

Fjordenpaard

Omstreeks 1950 werd, uit Noorwegen, het Fjordenpaard geïmporteerd om als trekkracht te dienen op het kleine boeren­bedrijf. Thans is het een recreatiepaard dat zowel aange­spannen als onder het zadel wordt gebruikt.

Het ex­terieur is dat  van een koud­bloed  Qua kleur is het ras uniform, name­lijk de valk­kleur. Binnen deze kleur bestaan verschillende varianten. Karakteristiek zijn de aalstreep  en de opstaande manen. Soms komen er horizontale wildstrepen aan de benen voor. De stokmaat is gemiddeld 1m40.  De Fjord heeft een sprekend hoofd, een goed gespierde hals een vrij vlakke schoft, goed gespierde rug en lendenen. Het kruis is enigszins rond en smal Voor het fokken van Fjorden voor onder het zadel wordt geselecteerd op type en gangen. De omvang van de fokkerij is in Nederland inmiddels veel groter dan in het land van herkomst Noorwegen.

Haflinger

De Haflinger komt van oorsprong uit Tirol. Het ras is op particulier initiatief in Nederland ingevoerd met hetzelfde doel als het Fjorden­paard. Het ras is in Tirol gefokt uit kleine koudbloed­merries en hengsten van Oosterse afstamming. De schofthoogte  is ongeveer 1m40. De kleur is vos met lichte staart, manen en onderbenen. De hals is voldoende lang. De rug is vaak wat lang en het kruis is hellend. De benen zijn hard en droog met goede hoeven. De Haflinger is zeer geschikt om aan te spannen en wordt gebruikt onder het zadel. Haflingers worden wel gekruist met de Arabier. Deze  Haflo-Arabier is wat edeler en harder en daardoor wat beter geschikt om te berijden.

8.11 Stamboeken

Hieronder volgt een overzicht van paarden- en ponyrassen die in Nederland voorkomen en die worden gefokt in stamboek- of verenigingsverband. Op de websites van deze stamboeken is uitvoerige informatie te vinden over het exterieur, de geschiedenis en selectieprogramma’s.

Tabel 8.5 Paardenstamboeken en verenigingen in Nederland in 2007

stamboek / vereniging                                                       website

Appaloosa Stamboek

www.appaloosa-stamboek.com

Arabische Volbloedpaarden Stamboek    

www.avsweb.nl

Connemara Pony Stamboek

www.connemara.nl

Dartmoor Pony Stamboek

www.dartmoorstamboek.nl

Internatinal Horse Breeders Association Heavy Warmblood

www.ihwstudbook.com

Ver. Nederlandse Draf- en Rensport

www.ndr.nl

Falabella Stamboek

Nederlands Fell Ponystamboek

www.falabella-europe.com

www.nfps.nl

Fjordenpaarden Stamboek

www.fjordstudbook.com

Fries Paarden Stamboek

www.fps-studbook.com

Gypsy Cob and Drum Horse Association Nederland

Vereniging Het Groninger Paard

www.gcdah.nl

www.hetgroningerpaard.nl

Hackney Stamboek

www.hackneystamboek.nl

Nederlands Stamboek voor IJslandse Paarden

www.nsijp.nl

Irish Cob Society Nederland

www.irishcob.nl

Mérens Stamboek Nederland

www.merensstamboek.nl

Nederlands Mini Paarden Registratie Stamboek

www.miniparden.nl

New Forest Pony Stamboek

www.newforestpony.nl

Nederlandse Quarterhorse Associatie

www.nqah.nl

Nederlands Rijpaarden en Ponystamboek

www.nrps.nl

Shetland Pony Stamboek

www.shetlandponystamboek.nl

Nederlands Tinker Stamboek

www.tinkerstamboek.nl

Trakehner Contact Nederland

www.trakehnercontact.nl

Kon. Ver. Het Nederlandse Trekpaard en de Haflinger

www.kvth.nl

Kon. Warmbloed Paardenstamboek Nederland

KWPN, Fokrichting  Lipzzanerpaard

www.kwpn.nl

www.kwpn.nl

Welsh Pony en Cob Vereniging

www.nwpcs.nl

 

 

8.12 Literatuur

Anonymus.,  De Duitse landkaart volgens het WPN. Bit, 22 februari, 1997.
Baudoin, N., Present state of horse breeding in France.  In: L'elevage du Cheval in France. Red. E.Rossier. C.E.R.E.O.P.A. Paris, 1990.
Berg, v.d., R., S. Korver en G.J.W. van der Meij., Collegediktaat Dierintegra­tievak  paard. L.U.W. Wageningen 1987.
Bruinsman.,Tennessee Walking Horse: Paard zonder draf maar met een super stap. De Hoefslag, 12 december 1996.
Berghuis, G.A., Eigenzinnig maar succesvol. Lezing gehouden op  het symposium "Presteren of creperen " over de fokkerij van prestatiepaarden door de Veterinaire Studentenrijvereniging "De Solleysel" Utrecht, 1992.
Berghuis, G.A., De normale geboorte. Aambeeld en aesculaap. jg 2. nr.1, maart 1992.
Bouwman, H., Munt slaan uit medailles.  Boerderij 77, no 47, 8 aug. 1992.
Diks, T., Quarter Horse: het grootste stamboek ter wereld. Hoefslag, 30 januari 1997.
Graman, G. und H.H. Stien., Das Holsteiner Sportpferd. Franckh'­sche  Verlags­handlung, Stuttgart, 1980.
Gauger, G.D. en H. Bouwman.,Volbloed, waarheen is uw vlucht ? Z-magazine, juni 1999.
Kohler, H.J., Hannovers edles Warmblut. Verband Hann. warmblut­zuchter e.V. Hannover, 1975.
Meij van der, G.J.W.,L. Elving en H.Bos., Paardenteelt. Vakgroep Zoötech­niek, Faculteit der Diergeneeskunde, Utrecht, 1986.
Nissen, J., Welk paard is dat ? Thieme, Baarn, 1991.
Nieuhoff, G.J.J Wegwijs in Welshland. Nederlands WelshPony en Cob Stam­boek, Apeldoorn: 1994.
N.V.F.L.M.,  Cheval de Mérens. Uitgave van de Ned. Ver. van Fokkers en Liefheb­bers van het Cheval de Mérens. Utrecht, 1992.
Nissen, J. en  W.SLOB., 100 paarderassen..Kosmos, Amsterdam, 1964.
Rade de, J.,  Welsh mountain pony's; tussen twee uitersten. Bit, 22 februari 1997.
Schaaf v.d., M., Dravers op glad ijs. Een inventarisatie van trainingsmethoden. Halfjaarstageverslag CAH Dronten 1995
Tienen van, Y., New Forest pony; veelzijdige gebruikspony met gouden karakter. Hoefslag, 20 februari 1997.
WBFSH. FEI/WBFSH world rankings for horses and studbooks. www.WBFSH.org  2007
Wegener, I., De Arabier. Paard en pony, 17e jg. no. 5, mei 1988.
 
Website
http://paarden-rassen.startpagina.nl